A A A

Historie Karate


Omstreeks het jaar 500 reisde Daruma, een boeddhistische monnik, over land van India naar China. Over de lichamelijke conditie van deze monnik behoeven we weinig anders te zeggen, als wij slechts overwegen, dat het zelf op heden nog praktisch onmogelijk is, deze weg te voet af te leggen. Zijn mentale en lichamelijke mogelijkheden moeten zeer bijzonder zijn geweest. Het doel van zijn reis was het klooster Shaolin-Szu in provincie Honan, waar hij de monniken van de Liang-dynastie zou onderwijzen in de laatste leerstellingen van het boeddhisme.

In het klooster aangekomen voerde hij een zeer streng disciplinair bewind in. Deze discipline was zelf zo zwaar, dat de meeste priesters de strenge regels niet konden naleven. Bij de oefeningen vielen velen van hen herhaaldelijk flauw en stierven bijna van uitputting.

Daruma verwonderde zich hierover. Hij belegde een bijeenkomst waarbij een ieder die in het klooster verbleef, aanwezig diende te zijn. Tijdens deze vergadering besprak hij de algemene conditie der priesters en verkondigde hij zijn grondstelling:” Lichaam en geest,” zo zei hij, “dienen één te zijn.” Slechts wanneer de psyche even sterk was als het lichaam, en andersom, kon men het einddoel van de boeddhistische heilsleer bereiken.. Hij zag lichaam en ziel onafscheidelijk. Is het lichaam te zwak, dan schiet de geest onherroepelijk te kort in het uitoefenen van zijn taak. En dan wordt het ook onmogelijk zich voldoende te concentreren tijdens de noodzakelijke en langdurige meditaties.

Ten einde deze lichamelijke harding te bereiken voerde Daruma een trainingsschema in. Onder ander was daarin een methode opgenomen van ongewapend gevecht. Dank zij deze training kregen de monniken van Shaolin-Szu de reputatie, de beste ongewapende vechters te zijn van geheel China. Nadat het nut van Daruma’s trainingssysteem was komen vast te staan, namen vele andere kloosters zijn methode in het schema op. Later werd deze strijdwijze bekend als Shaolin-Szu’s weg van de vuisten, en tevens werd deze vechtkunst de basis van het hedendaagse Chinese boksen.

OKINAWA-TE

De Chinese invloed op het eiland Okinawa is een gevolg van het feit, dat er gedurende zeer lange tijd handel is gedreven tussen beiden gebieden. Omstreeks 1600 (de periode van “hoogconjunctuur” der Chinese zeerovers) ging men ertoe over, de handelsschepen te verenigen tot een soort konvooien, begeleid door Chinese gevechtseenheden. De bemanning van deze “vechtschepen” was voor het merendeel vertrouwd met de Chinese gevechtsmethoden voor ongewapenden, zoals het Chuan-Fa en het Kempo, terwijl velen der opvarenden ware meesters waren in deze strijdsporten. Ook op het eiland Okinawa was het ongewapend vechten bekend geworden, zij het in een andere stijl. De meesters waren onmiddellijk geïnteresseerd in de Chinese technieken, wat ook gold voor de Chinezen, waar het de Okinawase methoden betrof. Van die tijd af namen technieken van elkaar over; men wisselde gegevens uit en combineerde diverse methoden. Hieruit ontstond allengs het nu beroemde Okinawa-te, de eigen stijl van Okinawa, die nu bekend is onder de naam:

KARATE

De man die karate uiteindelijk in Japan invoerde, het daar bekend maakte en propageerde was Sensei (= leraar) Guchin Funagoshi. Deze grondlegger en vader van het Japanse karate werd in 1869 in Shuri, Okinawa, geboren. Op zijn elfde jaar kwam hij voor het eerst in een karate-dojo. Vanaf de eerste dag toonde hij hierin een aanleg voor deze sport en daarmee begon hij zijn verbluffende carrière.

Op Okinawa studeerde hij karate onder twee erkende grootmeesters op dat gebied. Na de dood van deze meesters werd Funagoshi als hun opvolger erkend door zijn reputatie als beste vechter van Okinawa.

Op uitnodiging van het Japanse ministerie arriveerde hij in 1917 in Japan, waar hij lezingen en demonstraties gaf aan diverse universiteiten. In 1922 kwam een tweede uitnodiging, maar ditmaal vanwege een grote groep karateka’s die zich na zijn lezingen en demonstraties geformeerd had. Al deze karateka’s waren studenten, en vrij hecht georganiseerd. Deze keer bleef Funagoshi in Japan. Het karate verbreidde zich verbluffend snel en aan Funagoshi werd de titel van Shihan (= hoofdleraar) aangeboden.

Onder Funagoshi’s leiding studeerden en oefenden duizenden en door hem verkreeg het karate de populariteit die het nu ook in de westerse landen begint te veroveren.